11 December 2018

Eerste versie geschreven op 2014-11-01

Familie
Figure 1. Oma, opa Emil, moeder en oom (1935)

Elvire Elise Hermina Bastiaans, is geboren op maandag 4 juni 1906 in Bandoeng. Voor mij oma, voor anderen Elvie of tante Eef. Zij was een dochter van Walter Michiel Bastiaans en Jeannette Arenstine Godschalk. Oma is overleden op donderdag 9 februari 1984 in Middelburg, 77 jaar oud. Zij is begraven op zaterdag 18 februari 1984 in Vlissingen.

Oma trouwde in 1930 met Emil Hüber. Emil was de zoon van een Duits /Zwitserse KNIL militair. Het gezin woonde in Bandoeng en later in Batavia waar hun 2 kinderen werden geboren, waaronder mijn moeder. Emil overleed in 1936 aan verkeerd behandelde typhus. Behalve enkele foto’s bestaan weinig tot geen herinneringen aan Emil /het leven in deze periode.

Op 26 februari 1941 hertrouwde oma met Carol Wilhelm Bastiaans, een KNIL militair. Zij zouden elkaar een paar maanden daarvoor hebben ontmoet bij de een neef van Wim Rundberg. Wim is de echtgenoot van tante Bets, een zus van Elvire. Er worden uitjes georganiseerd naar de Tangkuban Perahu en het Bandoeng basin bij de berg Sunda. Op de Norton motorfiets van opa.

Japanse inval

Op 28 februari 1942 landt het Japanse 16de Leger op drie plaatsen op de kust van West-Java: ruim 20.000 man bij Merak en in de Bantambaai op de noordwestpunt van Java, en circa 3.000 man bij Eretan Wetan ten noordwesten van Cheribon. De belangrijkste Japanse doelen waren de steden Batavia, Buitenzorg en Bandoeng en het ten noorden van Bandoeng gelegen vliegveld Kalidjati. Kalidjati werd op 1 maart ingenomen. Op 8 april kapituleert het KNIL, de geallieerden op 12 maart.

Smashed B-17s Andir 19-02-1942
Figure 2. Smashed B-17s Andir 19 Feb. 1942

De Japanners veranderden van alles zeer snel. Batavia werd Jakarta, zij verboden Nederlandse scholen, sloten alle Europese scholen, of maakten die Indonesich en confisqueerden Europese bedrijven. Bij openbare instellingen werd het spreken van Nederlands verboden. Nederlanders verdwenen in burger-interneringskampen.

Buitenkampers

Oma en de kinderen werden ongemoeid gelaten, zoals veel Indische vrouwen met kleine kinderen. Mannelijke familieleden, waaronder broers werden opgepakt, geïnterneerd en afgevoerd naar Singapore, Birma of Japan.

'Alle Indische kinderen die buiten het kamp leefden hadden geen onderwijs. Soms kregen zij stiekum les van bekenden of famile. Tegen betaling. Geld was zeldzaam, want behalve Indonesiers, werd iedereen ontslagen en dus hadden ook wij geen inkomen. Ook de pensioenen werden niet betaald, laat staan het salaris van militairen die in Japanse kampen verbleven' [1]

Krijgsgevangen

Opa verdween op 5 april 1942 voor ruim 3,5 jaar in Japans krijgsgevangenschap. Hij werd per schip vervoerd naar Singapore [2] en met de Hawaii Maru 2 [3]naar Moji op het eiland Kuyshu in Japan. Hij kwam uiteindelijk terecht in het krijsgevangenenkamp Fukuoka 8B [4] nabij Inatsuki en overleefde daar de atoombom op Nagasaki. Hij was tewerkgesteld in de 'Yamano' kolenmijn van Mitsui Mining Co.

'Hier leerde hij honger kennen en moest hij als tropenmens leren omgaan met kou en sneeuw.'

Omstandigheden tijdens de oorlog

Gedong Sebilang

Het grootste deel van de huisraad werd voor een habbekrats verkocht. Er waren er geen inkomsten meer. Het gezin woonde tijdens de Japanse bezettingsperiode met andere Indische gezinnen in 1 huis aan de Gedong Sebilan 13 in Bandoeng, zodat de huur gezamenlijk kon worden opgebracht.

'Samen wonen met vreemden in een en dezelfde ruimte drukt een stempel op iedereen: alle privacy is verdwenen. Een dergelijke ervaring drukt een zwaar stempel op de rest van je leven'.

Jalan Juanda

Later, ongeveer halverwege de Japanse bezetting woonden ze in bij tante Tien een zus van oma, die een keldingwinkel dreef aan de Oude Hospitaalweg (Jalan Juanda) in Bandoeng. Huis en winkel waren eigendom van haar vriendin Sietske Keller, een Friesin die aan het begin van de bezetting in een Japans interneringskamp werd gestopt. Met de inkomsten van de winkel en verhuur van kamers overleefde men de oorlog.

'Na een half jaar ontmoetten we Annie Vleugels, de vrouw van een collega van opa Carol. Ze had geen familie en ook geen inkomen. Afgesproken werd dat ze in een kamertje kon wonen en daarvoor tante Tien helpen in de kledingwinkel. Het huis was ook een winkel die mooie stoffen verkocht. In het atelier werden jurken en kabaja’s genaaid. Er waren 10 naaisters en 1 man in dienst. Op deze manier was er een poos nog wat te verdienen. Import van stoffen was door de Jappen echter verboden en nadat alle mooie stoffen op waren hield dit op. Iedereen werd ontslagen en wij zaten zonder inkomen.

Tante Tien is toen stiekum begonnen met het verkopen van stoffen voor andere mensen. Dit liep redelijk goed en soms gingen we iets lekkers eten in een Chinees restaurant op de Braga. Voor ons een feest! Het restaurant "Bogerijn Restaurant" bestaat nog steeds, althans zo’n 10 jaar geleden nog wel. We pasten ook op het hondje van mevrouw Keller: Dikkie, een dwergpincer. Later verzorgden we ook nog een ander hondje van iemand in het kamp: Teske. De tuin van het huis was heel groot. Er was een schuilkelder waar altijd een halve meter water stond. Achter in de tuin stond een grote manga-boom en we hielden er kippen die ik mocht verzorgen. O ja, we hadden ook nog een witte poes: Poei-poei.'

Vluchten in Bersiap

De Bersiap-periode was een gewelddadige periode in de Indonesische geschiedenis die duurde van ongeveer oktober 1945 tot begin 1946. Openlijk werd opgeroepen tot "uitroeien van alle Belanda’s (Nederlanders) en alle Anjing Belanda’s (Nederlandse honden), waarmee de Indo’s werden bedoeld.

In deze periode werden de ouders en de 2 jongste broers van opa door de Indonesiërs met de klewang in hun huis in Soerabaja vermoord. Hun graf is tot op heden niet gevonden.

Wenckebachlaan [5]

De familie was in de ‘Bersiap-periode’ genoodzaakt te vluchten en kwam terecht in een vluchtelingenhuis aan de Wenckebachlaan. Men woonde in een bediendenhuisje en sliep op matrassen op de grond.

Op deze locatie werden zij via lijsten van het Rode Kruis gevonden. Vermoedelijk eind 1945 vloog de familie met Annie Vleugels met een voor transport omgebouwde B25 Mitchell naar Australië. Het vliegtuig was overvol en men kon alleen kleine koffers met persoonlijke bezittingen meenemen. [6]

Australie Bundaberg huis bastiaans
Figure 3. Kinderen voor het huis bij Bundaberg

Ze kwamen terecht in een opvangkamp in de buurt van Brisbane waar ze ongeveer een week verbleven om aan te sterken. Daarna verhuisde men naar een andere locatie, een ex-vakantiekamp, voor een verblijf van een week of twee om aansluitend naar Bundaberg te reizen voor een verblijf van ongeveer 10 maanden. Eerst een huis in de stad, later een boerderij in de buurt. Opa werkte als vliegtuigmonteur op het nabijgelegen vliegveld.

Batavia en Medan

Op 28 september 1946 vertrokken oma met kinderen met de ‘Manoora’ [7] van Brisbane naar Batavia met een tussenstop in Makassar. Vandaar uit reist Annie Vleugels door haar echtgeneeot in op Biak, een eiland in de Geelvinkbaai bij Noord Nieuw Guinea waar o.a. 120 squadron was gelegerd.

De kinderen konden weer naar school. Opa werkte al op Java en had een onderkomen gevonden aan de Mataramweg. Zij wonen daar ongeveer 2 jaar.Daarna vertrekken zij naar Medan.

Opa werkte op het nabijgelegen vliegveld Polonia [8] als 'adjudant-onderofficier en hoofd van de hangar- en lijndienst' [9]..

Sumatra huis bij Tobameer
Figure 4. In de buurt van Tobameer

De situatie ter plaatse blijft gevaarlijk. Bij familietripjes op Sumatra gaat steevast de Brengun mee. De kinderen konden gelukkig wel weer naar school.

Maetsuyker
Figure 5. MS Maetsuyker

Begin 1950 voer men met een klein Hollands hospitaalschip 'Maetsuycker' van Medan naar Jakarta. Na een kort verblijf werden zij in konvooi van hun verblijfplaats naar Tanjung Priok gebracht.

Op 6 juni 1950 van Tanjung Priok met MS ‘Fair Sea’ naar Nederland vertrokken. Het schip kwam op 10 juli 1950 aan in Rotterdam. Het gezin kwam terecht in het kamp Rodenburg bij Aardenburg om later te worden gehuisvest in Vlissingen, eerst in de Noordstraat, later aan de Steenenbeer.

Vlissingen

Oma en opa woonden tot mijn 12de onder ons in hetzelfde huis (Steenenbeer 9, Vlissingen). Dit huis was vaak erg vol met familie en kennissen. Zo’n beetje elke zondag kwamen er mensen langs en bleven eten. Gezellig.. Later woonde zij met opa in de Wilhelminastraat. Na haar scheiding woonde zij de laatste jaren van haar leven bij ons thuis.

kamp Aardenburg voor barak bastiaans
Figure 6. Aardenburg voor de barak

Zij had daar een eigen kamer. Dit betekende dat de 'aanloop' van familie en kennissen weer toenam. Opa woonde de laatste jaren van zijn leven in Amsterdam bij tante An.


1. de salarissen zijn schandelijk genoeg nooit uitbetaald door de Staat der Nederlanden - #indischekwestie #backpay
5. Wenckebachlaan → Jl. Trunojoyo (nu genoemd naar een 17e-eeuwse held van het eiland Madoera)
6. Eind ’45 en begin ’46 is het RAPWI programma opgestart (Recovery of Allied Prisoners of War). ML-KNIL personeel en hun families werden toen met vooral (omgebouwde) B-25’s naar Bundaberg gevlogen, waar NL gebruik maakte van een RAAF vliegbasis. Een plek waar ze van de verschrikkingen van de kampen mochten herstellen alvorens weer actief in dienst te gaan. Bron: Peter Wolf / Indische F[Kamparchieven
7. ink=https://ssmaritime.com/Manoora.htm
8. Nu Soewondo Soewondo Air Force Base - https://en.wikipedia.org/wiki/Soewondo_Air_Force_Base
9. De Militaire Luchtvaart van het KNIL 1945-1950 van Otto Ward. Met dank aan Peter Wolf voor de quote uit dit boek